|
|
Vijfde zondag door het jaar (B)
35. De waarheid verbreiden
—Dringende noodzaak en
verantwoordelijkheid om de leer van Christus in alle milieus te verbreiden.
—Apostolaat en bekeringsijver komen voort uit onze overtuiging dat we de
waarheid bezitten, de enige waarheid die kan redden. Bij het verlies van deze
overtuiging heeft de verbreiding van het geloof geen zin. —Trouw aan de leer die
we moeten doorgeven.
35.1
Zoals zo vaak, stond Jezus ’s morgens vroeg op en ging de stad uit om te bidden.
Daar vonden de apostelen Hem en zeiden tot Hem:
Iedereen zoekt U. En de Heer antwoordde
hun: Laten we ergens anders heen
gaan, naar de dorpen in de omtrek, opdat Ik daar ook kan prediken. Daartoe
immers ben Ik uitgegaan.1
De zending van Christus is de verbreiding van het evangelie,
het brengen van de Blijde Boodschap tot aan de uiteinden van de aarde door
middel van de apostelen en van de christenen aller tijden.2
Dit is de zending van de Kerk, die zo het gebod van de Heer vervult:
Gaat dus en maakt alle volkeren
tot mijn leerlingen […] en leert hun te onderhouden al wat Ik u bevolen heb.3
In de Handelingen van de apostelen vinden we veel details over deze eerste
evangelisatie. Op de dag van Pinksteren predikt de heilige Petrus de
goddelijkheid van Jezus, zijn verlossende dood en zijn glorievolle verrijzenis.4
De heilige Paulus, de profeet Jesaja citerend, roept enthousiast uit:
Hoe lieflijk zijn de voeten van
hen die het goede nieuws brengen!5
De tweede lezing van de mis spreekt ons over onze verantwoordelijkheid ten
aanzien van deze vreugdevolle verkondiging van de waarheid:
Dat ik het evangelie predik, is
voor mij geen reden om te roemen: ik kan niet anders. Wee mij, als ik u het
evangelie niet verkondig!6
Met deze zelfde woorden van de heilige Paulus heeft de Kerk
de gelovigen herinnerd aan de oproep van de Heer om de leer van Christus overal
te verbreiden, en daarbij elke gelegenheid te benutten.7
De heilige Johannes Chrysostomus voorzag al de mogelijke
excuses om zich te kunnen onttrekken aan deze aangename verplichting: «Er
bestaat niets dat killer is dan een christen die onverschillig staat ten
opzichte van het heil van de ander […] Zeg niet: ik kan hen niet helpen, want
als je echt christen bent, is het onmogelijk om dat niet te doen. De
eigenschappen van de natuur kun je niet verloochenen: zo is het ook met deze
opdracht, want het ligt in de natuur van een christen op deze manier te handelen
[…] Eerder nog zal de zon geen warmte geven, dan dat een christen geen licht
meer zal uitstralen; eerder nog zou licht duisternis worden. Zeg niet dat het
onmogelijk is; wat onmogelijk is, is het tegenovergestelde […] Als we ons goed
weten te gedragen, zal al het andere er als een natuurlijk gevolg uit
voortkomen. Het licht van de christenen kan niet verborgen blijven; een lamp die
zo schittert kan niet verborgen blijven.»8
Laten we ons afvragen of we in onze eigen omgeving, op de
plaats waar we leven en werken, het geloof weten door te geven, of we onze
vrienden ertoe brengen de sacramenten vaker te ontvangen. Laten we nagaan of we
de noodzaak van het apostolaat zien als een vereiste van onze roeping, of we ons
daarvoor net zo verantwoordelijk voelen als de eerste christenen, want de nood
is in onze tijd niet minder groot…
Ik kan niet anders. Wee mij, als ik het evangelie niet
verkondig!
—1. Mc
1,29-39. —2. Mc
3,14. —3. Mt
18,19-20. —4. Hnd
2,38. —5. Rom
10,15; Jes 52,7.
—6. 1 Kor 9,16. —7.
Vgl. Vaticanum ii,
Decr. Apostolicam actuositatem,
6. —8. H. Johannes
Chrysostomus,
Homilieën bij de Handelingen van de Apostelen, 20. —9.
Johannes Paulus ii,
Toespraak, 12
november 1987. — 10.
Paulus vi,
Toespraak, 4 augustus 1965. —11.
1 Tes 2,3-4. —12.
1 Kor 1,23-24. —13.
2 Kor 5,14.
|